Wat vindt de Kieswet van EERLIJK DELEN?
In de Kieswet (“Hoofdstuk P. De vaststelling van de verkiezingsuitslag door het centraal stembureau”) worden de Grondwetsartikelen 4, 53.1 en 129.2 uitgewerkt voor een juiste vertegenwoordiging van de bevolking, op basis van gelijkheid en evenredigheid.
Dat gebeurt, om zo te zeggen, op dezelfde wijze als bij het maken van een schaalmodel, een landkaart, een maquette, een plattegrond of een bouwtekening. Basisschool leerlingen leren van evenredigheid dat teller en noemer door hetzelfde getal mogen worden gedeeld, middelbare scholieren weten dat er een vaste verhouding is bij de zijden van gelijkvormige driehoeken en cartografen en architecten delen alle oorspronkelijke maten door hetzelfde getal, dat zij de “schaal” noemen, voor hun kaarten, plattegronden en bouwtekeningen.
Precies zo regelt de kieswet de samenstelling van de vertegenwoordiging waarvoor de verkiezing is gehouden. Dat gebeurt door het totaal aantal stemmen op de lijsten te verkleinen tot het totaal aantal vertegenwoordigers dat gekozen moet worden (de Kieswet noemt die “zetels”). Zo wordt de schaal bepaald, de verkleiningsfactor, die in de Kieswet “kiesdeler” wordt genoemd.
De kiesdeler is het getal waar het totaal aantal stemmen van een lijst door moet worden gedeeld om het aantal vertegenwoordigers van die lijst te bepalen. Het totaal aantal vertegenwoordigers dat moet worden verkozen bij een verkiezing, dus het aantal te verdelen zetels, staat vast. Dit aantal zetels vertegenwoordigt alle stemmers op alle lijsten bij elkaar. Dus de kiesdeler, de verkleiningsfactor, is het totaal aantal stemmen gedeeld door het totaal aantal zetels.
De Kiesdeler
De Kieswet zegt:
“
Artikel P 5
1 Het centraal stembureau deelt de som van de stemcijfers van alle lijsten door het aantal te verdelen zetels.
2 Het aldus verkregen quotiënt wordt kiesdeler genoemd.
“
Nadat de kiesdeler is bepaald wordt van elke lijst het totaal aantal stemmen van die lijst gedeeld door de kiesdeler. Dat bepaalt het (theoretisch) aantal vertegenwoordigers, of zetels, van die lijst.
Helaas zijn die aantallen zetels doorgaans niet geheel. De aantallen zetels moeten dus worden afgerond, óf naar beneden óf naar boven. Als alle aantallen naar beneden worden afgerond, zijn er in totaal te weinig zetels, als alle aantallen naar boven worden afgerond dan zijn er teveel zetels in totaal. Dus: bij een deel van de lijsten moeten de aantallen zetels naar beneden worden afgerond en bij een deel van de lijsten moeten de aantallen zetels naar boven worden afgerond.
Maar bij welke lijsten… ?
'Volle zetels'
Het ligt voor de hand om eerst alle aantallen zetels naar beneden af te ronden. Alle lijsten krijgen de (gehele) zetels toegewezen waar ze in elk geval recht op hebben. Die worden 'volle zetels' genoemd. Maar de lijsten hebben méér stemmen dan nodig zijn voor hun volle zetels. Ze houden nog stemmen 'over' voor een deel van een zetel waarop ze geen vol recht meer hebben. Als dat genoeg stemmen zijn kan het aantal zetels van de lijst nog naar boven worden afgerond, om één extra zetel te krijgen.
De Kieswet zegt:
“
Artikel P 6
Zoveel maal als de kiesdeler is begrepen in het stemcijfer van een lijst wordt aan die lijst een zetel toegewezen.
“
Restzetels
Nog niet alle te verdelen zetels zijn nu toegewezen. De zetels die nog verdeeld moeten worden, worden restzetels genoemd. Er is alleen nog een criterium nodig om te bepalen welke lijsten alsnog voor afronding naar boven in aanmerking komen, dus nog een restzetel krijgen.
Het meest voor de hand liggende criterium om te bepalen welke lijst het eerst in aanmerking komt voor een restzetel is: de lijst die de minste stemmen tekort komt voor een nóg een (gehele) zetel. De lijst die daaraan voldoet krijgt een restzetel en wordt dus naar boven afgerond. Die lijst heeft nu méér zetels dan hem evenredig toekomt en komt dan natuurlijk niet meer in aanmerking voor nóg meer zetels. De lijst die hierná voldoet aan het criterium krijgt de volgende restzetel, en zo vervolgens tot alle zetels zijn verdeeld.
Dit criterium van het 'kleinste stemmentekort' wordt door de Kieswet gebruikt bij verkiezingen waarbij minder dan 19 zetels te verdelen zijn.
De Kieswet zegt:
“
Artikel P 8
1 De restzetels worden, indien het aantal te verdelen zetels minder dan negentien bedraagt, achtereenvolgens toegewezen aan de lijsten waarvan de stemcijfers bij deling door de kiesdeler de grootste overschotten hebben. Hierbij worden lijsten die geen overschot hebben, geacht lijsten te zijn met het kleinste overschot. Indien overschotten gelijk zijn, beslist zo nodig het lot.
2 Bij deze toewijzing komen niet in aanmerking lijsten met een stemcijfer dat lager is dan 75% van de kiesdeler.
3 Wanneer alle lijsten die daarvoor in aanmerking komen een restzetel hebben ontvangen en er nog zetels te verdelen blijven, worden deze zetels toegewezen volgens het stelsel van de grootste gemiddelden als bedoeld in artikel P7, eerste lid, met dien verstande, dat bij deze toewijzing aan geen van de lijsten meer dan één zetel wordt toegewezen.
“
Het lijkt merkwaardig dat de tekst van Kieswet-artikel 8.1 niet het 'kleinste stemmen-tekort' formuleert maar spreekt van 'grootste overschotten'. De methode die dit Kieswet-artikel echter formuleert leidt tot dezelfde uitkomst als het gewenste (absoluut) 'kleinste stemmentekort'-criterium, maar is eenvoudiger te berekenen. Kijk maar:
Hoe het kleinste tekort verandert in het grootste overschot
De Kieswet kent nog een tweede criterium om te bepalen welke lijst het eerst in aanmerking komt voor een restzetel: de lijst die relatief het kleinste stemmentekort heeft krijgt nog een gehele zetel . Ook bij dít criterium krijgt de lijst die hieraan voldoet de restzetel, wordt naar boven afgerond, krijgt daarmee méér dan de lijst evenredig toekomt en komt dan, óók bij dít criterium, natuurlijk niet meer in aanmerking voor nóg meer zetels. Ook hier krijgt de lijst die daarná aan het criterium voldoet de volgende restzetel, en zo vervolgens tot alle zetels zijn verdeeld.
Dit criterium van het relatief kleinste stemmentekort wordt door de Kieswet gebruikt bij verkiezingen waarbij 19 of meer zetels te verdelen zijn.
De Kieswet zegt:
“
Artikel P 7
1 De overblijvende zetels, die restzetels worden genoemd, worden, indien het aantal te verdelen zetels negentien of meer bedraagt, achtereenvolgens toegewezen aan de lijsten die na toewijzing van de zetel het grootste gemiddelde aantal stemmen per toegewezen zetel hebben. Indien gemiddelden gelijk zijn, beslist zo nodig het lot.
2 Indien het betreft de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer, komen bij deze toewijzing niet in aanmerking lijsten waarvan het stemcijfer lager is dan de kiesdeler.
“
Ook hier formuleert de Kieswet een ogenschijnlijk ander criterium. De tekst spreekt niet van 'relatief kleinste stemmen-tekort' maar van 'grootste gemiddelde aantal stemmen per toegewezen zetel'. En ook hier leidt de methode die dit Kieswet-artikel formuleert tot dezelfde uitkomst als het gewenste 'relatief kleinste stemmentekort'-criterium maar met een eenvoudiger berekening.
Kijk maar:
Hoe het relatief kleinste tekort verandert in het grootste gemiddelde
Kiesdrempel
Er zit nog een naar randje aan de beide Kieswet-artikelen die de restzetelverdeling formuleren: een kiesdrempel.
De Grondwet schrijft het evenredigheidsprincipe voor. De Kieswet werkt dit voorschrift uit door te beschrijven hoe eerst de ‘volle zetels’ toe te wijzen en vervolgens de ‘restzetels’. Maar ‘en passant’ worden bij die laatste beschrijving een paar restricties in de wetsartikelen genoemd die helemaal niet sporen met het democratisch principe van de evenredige verdeling.
Kieswet-artikel P7.2 sluit lijsten bij de Tweede Kamer verkiezing uit als gegadigde indien die minder stemmen dan de kiesdeler behalen. Artikel P8.2 sluit lijsten uit bij verkiezingen waar minder dan 19 zetels te verdelen zijn, als die lijsten minder stemmen dan 75% van de kiesdeler behalen.
Kieswet:
"
Art. P 7.2 Indien het betreft de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer, komen bij deze toewijzing niet in aanmerking lijsten waarvan het stemcijfer lager is dan de kiesdeler.
Art. P 8.2 Bij deze toewijzing komen niet in aanmerking lijsten met een stemcijfer dat lager is dan 75% van de kiesdeler.
"
Door de Kiesraad wordt, op zijn website, gezegd:
“Nederland kent formeel geen kiesdrempel. Wel komt een partij bij Europese parlements-verkiezingen pas in aanmerking voor een zetel als het de kiesdeler heeft behaald”.
Dat is onjuist: Genoemde artikelen formuleren een feitelijke kiesdrempel! Even onjuist in dit verband is waar de Kiesraad op de website mee vervolgt, onder verwijzing naar artikel P5:
”De kiesdeler is het aantal stemmen dat een partij moet behalen om in aanmerking te komen voor één zetel”.
Onjuist dus. De kiesdeler is de 'schaal', de verkleiningsfactor, géén drempel of factor die moet voorkomen dat ‘kleine’ lijsten, nét als ‘grote’ lijsten, in aanmerking komen voor een restzetel.